|
Hoe we erbij kwamen, durven we ons niet goed herinneren,
vergeef het ons, maar we brachten eventjes het Scala-model ter sprake, het
Aarschotse meisjeskoor dat koorzingen een populair en amusant imago heeft
gegeven. De reactie was fel. Scala mag dan wel succes hebben, ze kunnen perfect
toon houden en zo, maar de muziek die ze zingen is waardeloos, en dat wreekt
zich. Zo’n koor moet heel snel vernieuwen, want de mensen worden die muziek
snel beu. Mozart daarentegen is eeuwig, daar zal altijd belangstelling voor
zijn. Als ik Scala hoor, word ik kregelig; misschien ben ik wel allergisch. En
dat woord “amuseren”! Je mag je best goed voelen in een koor; wie zich niet
goed voelt bij de muziek die hij zingt, is fout bezig, maar amuseren, neen. Je
amuseert je niet met Mozart. Wie dat zegt heeft niet de juiste instelling.
De rol van een amateurkoor blijft om amateurs de kans te geven
met goede muziek om te gaan. Ik kom dikwijls in Japan, een land dat door
omstandigheden verder staat dan het onze, en dat bedoel ik niet alleen
positief. De prestatiedruk ligt er veel hoger, ook bij kinderen, er blijft niet
veel vrije tijd over. Daar betalen de leden van een amateurkoor om te
mogen zingen; het is een ankerpunt in hun jachtige bestaan. De kwaliteit van
die koren is trouwens uitstekend - denk maar aan de Tokyo Oratorio Society met
zijn 4 of 5 koren. Ook het bezoek aan (privé-)muziekacademies is groter dan bij
ons. Zo zie je. Zelfs als onze maatschappij in die richting zou evolueren (hopelijk
komt het niet zo ver), hoeft een amateurkoor daar niet onder te lijden.
Een amateurkoor heeft een troef die professionele koren missen.
Doordat ze amateur zijn staan ze niet in het voortdurende gevecht om hun voortbestaan,
zoals b.v. ons Radiokoor. In heel Europa zijn er niet zo knap veel
professionele koren meer over. Dat is een innerlijke sterkte van een amateurgezelschap.
En dan de kwaliteit. Natuurlijk haalt een amateurkoor het niet
van perfect afgewerkte cd-opnames. Dat niveau haalde ook het koor van de
Thomaskirche in Leipzig niet, nochtans onder de leiding van J.S. Bach. We
leggen de lat tegenwoordig zo extreem hoog, maar geef mij maar een
niet-zo-perfecte uitvoering van een kamerensemble waar ik helemaal bij
ben: dat is pas echte muziek. De kracht van een amateurkoor is dat wie
meezingt, dat ook graag doet, anders blijft hij wel weg. De mooiste passies heb
ik gezongen met niet-professionele koren, mensen die er met heel hun ziel en
lichaam achter staan. Een amateurkoor moet natuurlijk uitkijken dat het zingt
wat het aan kan, en moet dat ook zo goed mogelijk proberen te doen en er
continu plezier aan beleven. Dat plezier en die inspanning hebben elkaar
trouwens nodig. Zo'n plezier is heel wat anders dan amusement.
|
Nieuwigheden, zoals de combinatie van muziek met andere
elementen (poëzie, film, choreografie…) zie ik wel zitten, tenminste als de
zorg overeind blijft om bezield te zingen en kwaliteit na te streven. Dan mag
er best naar variatie en nieuwe presentatievormen gezocht worden. Als je er
maar een goed programma mee maakt. Ik doe dat zelf ook graag. In mijn programma
La chanson d’Eve werk ik met een regisseur, en 17 van de 30 gedichten
(van Charles Van Lerberghe) draag ik voor, terwijl we ondertussen 35
non-figuratieve schilderijen projecteren van de componist Herberigs. Ik heb dat
programma in Japan uitgetest waar ze geen woord Frans begrijpen, en ook daar
werkt het concept.
Je ziet, fantasie en durf hebben, het mag allemaal! Maar het
belangrijkste blijft dat je kunt zingen, dat is wat je bindt. Zingen is
oermenselijk, dat kan je niet afschaffen. Dat betekent dat een koor, zolang het
met enthousiasme zingt, ook altijd een publiek zal vinden, al was het maar van
mensen die zelf zouden willen zingen. Omdat zingen gezond is. De fysieke
trillingen die zang opwekt, zijn goed voor het lichaam. Onze maatschappij heeft
dat de laatste 50 jaar verwaarloosd, maar het is belangrijk. De mens is het
enige dier dat de stembanden zo ver heeft laten evolueren: van haar
oer-functie, de longen afsluiten (b.v. tegen grof stof of water bij het
duiken), tot het zingen van een aria. Dat we dat hebben gekund is o.m. een
gevolg van rechtop lopen, waardoor er meer resonantieholten beschikbaar zijn
gekomen. Het zou niet verstandig zijn de weldaden van die evolutie af te
wijzen. Als je dat niet gelooft: er zijn onderzoeken gebeurd naar
kloostergemeenschappen waar het zingen sterk werd verminderd en… het aantal
ziekten steeg. Dus het klopt dat wie zich goed voelt, spontaan wil zingen, en
andersom, als je zingt, ga je je goed voelen. Zingen geeft energie. Een half
uurtje zingen helpt je er zo weer bovenop. En tenslotte, zingen is klank, iets
onstoffelijks. Klank bestaat alleen op het moment dat je hem produceert. Een cd
is eigenlijk een leugen, ersatz.
Daarom moeten koren blijven bestaan. Daarom zal er altijd een
publiek voor blijven bestaan, dat kan niet anders. Maar kies wel een goed
programma. Dat hoef je niet aan de dirigent over te laten. Zijn rol ligt
elders. Laat iedereen maar ideeën spuien. Liever 100 ideeën waarvan er misschien
twee bruikbaar zijn. En probeer dat programma zo goed mogelijk te brengen. Het
criterium moet niet de perfectie zijn, maar wel “beter kan ik niet”. Dat is
goed genoeg, maar dat is wel nodig, ongeacht voor welk publiek je zingt.
Kwaliteit is dus wel belangrijk, en, op een andere manier,
kwantiteit ook. Want, als ik nog een raad mag meegeven, dat is een gevaar voor
een koor op het niveau van het Gents Madrigaalkoor: kijk uit dat de mensen niet
beginnen af te haken omdat er teveel tijd van hen wordt gevraagd. Daar zijn
voorbeelden van in het Gentse verleden. In een koor zingen, samen
zingen, heeft ontegensprekelijk ook een sociale functie die kan lijden onder
een te grote werkdruk. Bewaar het evenwicht!
MC, KVDW, BJ
|