Op de plattegrond van het Caermersklooster ligt in het zuiden, dat is linksonder, de oude keuken, het repetitielokaal van het Gents Madrigaalkoor in de jaren zeventig.
De traptoren op de eerste pandhof van het klooster, getekend door Pascale Vervenne
De wenteltrap in de traptoren, getekend door Pascale Vervenne
In het repetitielokaal staat een houten trap (tekening van Pascale Vervenne)
| | Een mooie erfenis
De eerste repetities van het Gents Jeugdkoor hadden
plaats in een zaal van het Gentse middenstandshuis, elke zondag
tussen 10 en 12. Dat was een uitermate geschikt tijdstip voor
een koorrepetitie, werd me uitgelegd, want van studeren kwam er
op zo'n verloren zondagochtend, na de mis en voor het aperitief,
toch niets terecht. Die motivering tekent de tijd en het milieu
(1966 resp. (oud-)leerlingen van Sint-Barbara en Sint-Bavo). De
zondagochtend hield nog verschillende jaren goed stand, het koorlokaal
niet, want het koor verhuisde nogal snel naar het Patershol. Luc
Van Outryve, de eerste secretaris/penningmeester van het Gents
Jeugdkoor hielp ons reconstrueren hoe dat kwam. In die jaren was het Sint-Lutgardiskoor
met zijn dirigent Fernand Temmerman een gevestigd en verdienstelijk
Gents koor waarop wat slijtage was gekomen. Enkele jaren daarvoor
had zich een groep zangers afgescheiden om voortaan onder de naam
Cantate met dirigent Kamiel Cooremans door het koorleven
te gaan. Op een dag besliste Sint-Lutgardis om helemaal te stoppen.
Toen het daarom eerst zijn partituren mét mooie kast, en
later ook zijn repetitielokaal, aan een "gelijkaardige activiteit"
wou overdragen deed het Gents Jeugdkoor een goede zaak, met name
het repetitielokaal aan de Vrouwebroersstraat in het Gents Patershol.
Hoe goed die zaak wel was bleek vooral zoveel jaar
later, toen op een mooie dag elektriciteit en water geheel onverwachts
werden afgesloten. Dat kwam ongelegen, want toen repeteerde niet
alleen het Gents Jeugdkoor er, maar ook Cantate, want in de goedheid
van ons hart hadden we Cantate onderdak verschaft toen het zijn
lokaal in het oude Begijnhof verloor. Bij de elektriciteitsmaatschappij
kregen we te horen dat de we de facturen niet meer hadden betaald.
Dat was geen nieuws voor ons - we hadden nog nooit een
factuur betaald. Wisten wij veel waar die rekeningen terecht kwamen
of hoe ze werden voldaan. De oud-penningmeester van Sint-Lutgardis,
die we pas na heel wat opsporingen konden vinden, gaf ons kortaf
tekst en uitleg: het spaarpotje van Sint-Lutgardis had al die
jaren alles voor ons betaald, elektriciteit, water en huur, maar
juist nu was het geld helemaal op, zeker nu hij te weten was gekomen
dat ook Cantate er van profiteerde.
Geen restauratie in de keuken
Louis Kindt is architect bij de provincie Oost-Vlaanderen
en begeleidt al jaren de restauratie van het Caermersklooster.
Hij leidt ons met duidelijk plezier door de gebouwen: gerestaureerde
gebouwen - die zien er prachtig uit - en andere gebouwen - daarin
laat hij ons boeiende ontdekkingen zien. Het blijkt dat ons oude
repetitielokaal vroeger de keuken van het klooster was. Twintig
jaar geleden was daar niet veel van te merken, maar nu liggen
hele stukken van de vloer open en zien we goed waar de haard zich
bevond, hoe er zeker vijf niveaus vloeren geweest zijn en hoe
de erker waarin wij de vuilnisbak zetten vroeger met een
opening boven de Plotersgracht hing. Die was toen nog niet gedempt
en heette ook nog Leertouwersgracht. Vanuit die erker kon je direct
water uit de gracht scheppen. Tenminste, dat deden de Vrouwebroers,
dat zijn de Karmelieten (of Caermers), een contemplatieve kloosterorde.
De geschoeide versie ervan (de ongeschoeiden waren fanatieker
en nog contemplatiever) vestigden zich omstreeks 1272 in Gent.
In 1287 kochten ze een bestaand gebouw aan de Lange Steenstraat
en breidden dat verder uit. De kerk werd gebouwd in de 14e
tot 16e eeuw, de eerste pandhof in de 16e
eeuw of vroeger, de tweede pandhof met spreekhuis in de 18e.
Aanpalend kwam er ook een infirmerie (17e), een eigen
brouwerij en een klein neerhof. Op dit ogenblik wachten de eerste pandhof en zijn
omliggende gebouwen nog op restauratie. Dat zijn de keuken, de
grote refter met daaronder de voorraadkelder en erboven de bibliotheek,
de kleine refter en de gevel van de kapittelzaal met erboven de
voormalige slaapzaal. Misschien het mooiste hoekje is de achtzijdige traptoren
naast de refter. Hij bevat een merkwaardige stenen spiraal-draaitrap
zonder centrale spil. Een merkwaardige constructie waarvan er
maar twee in Europa zouden bestaan. Je kan van boven helemaal
naar beneden kijken, maar dat doe je maar beter eventjes niet,
daarvoor is hij te veel vervallen.
Een lichtje in de schimmelige gang
Het koorlokaal bereikte je via een gang die naar
een binnenplein leidde. De straatdeur stond altijd open, er wás
ook geen beweging in te krijgen. Op het bovenlicht stond het woordje
"lux". Dat staat er nog altijd. Kijk, dat is nu zo merkwaardig.
Het hele gebouw stond toen al op instorten, dat staat het nog,
soms komt er een stuk van het dak naar beneden, alle bruikbare
materialen zijn geplunderd, straatjongens hebben jarenlang in
de ruïne huisgehouden... en dat fragiel stukje glas dat je
zo met één keitje kapot gooit, geen mens die wat
zou zeggen, kijk, net dat stukje glas dat toen al zo intrigeerde,
net dat ruitje met drie letters erop blijft al die jaren heel.
De Berlijnse muur is gevallen, het laatste geheim van Fatima is
bekendgemaakt, Tindemans stapt uit de politiek, maar "lux"
blijft overeind. Lux aeterna ! Op de deur zelf zag je sporen van verschillende generaties
naamplaatjes en brievenbussen. Daar staat nu een hoge schutting
voor. Ik herinner me alleen de naam Roels, in een onzekere
hand geschilderd naast een kapotte deurbel. Aan het einde van
de gang zag je wat tot in 1796 de eerste pandhof was van het voormalig
Caermersklooster. Die meneer Roels was een kunstschilder, een
vriendelijke eenzaat die in een peperkoeken huisje woonde dat
schaamteloos in het midden van de kloostertuin was gebouwd. We
werden er wel eens met enige aandrang op visite gevraagd. Het
huisje is later afgebroken, op een dag was het weg en de man heeft
de kunstgeschiedenis nooit gehaald. In die schimmelige tochtige gang van John Flanders-formaat
vond je niet alleen rechts het repetitielokaal en links de zaal
van de Schuttersgilde Sint-Joris, maar ook, voorbij de bocht naar
de kloostertuin linksaf, een merkwaardige traptoren en wat verder,
enkele treden af, de ingang van een louche ogende nachtclub. Die
bevond zich in de kelder onder de Sint-Jorisgilde, waar de karmelieten
al lang hun voorraden niet meer bewaarden. De Franstalige fils-à-papa
uitbater van de dancing had zich verstout het gemeenschappelijk
toilet dat zich precies aan de ingang van zijn gelegenheid bevond,
te renoveren (wat wij konden waarderen) en achter slot te plaatsen
(dat vonden we veel minder). Gelukkig konden we hem imponeren
met zware woorden als "wederrechtelijk", en "erfdienstbaarheid".
Wat ook hielp was het onooglijk schrammetje dat hij bij het parkeren
met zijn zware Amerikaanse slee op mijn auto maakte. Waarom hij
daar zo bijzonder mee verlegen zat is minder belangrijk dan dat
we op die manier wél een kopie van de sleutel in handen
kregen. We kregen die zelfs bij elk vernieuwing van het slot opnieuw,
wat opvallend dikwijls nodig was. Vooral de meisjes waren blij
met die regeling, al maakten ze er zo weinig mogelijk gebruik
van, en dan altijd onder begeleiding. Er waren natuurlijk nog
andere publieke voorzieningen in dat Patershol van toen, maar,
hoe zeg je dat, de lat van de latrine lag niet overal even hoog...
Hoe gering de verdienste van de dancing-uitbater dus in materiële
termen ook mag lijken, het effect ervan op het Gentse muziekleven
mag toch niet geringschat worden.
Zilver en grijs
Voor we het repetitielokaal betreden, wat we met
schroom doen, werpen we nog gauw een blik achter de deur van de
Sint-Jorisgilde. Dat lukt niet vaak, het gildenhuis is altijd
goed afgesloten en de hoofdingang zit ook helemaal aan de andere
kant, waar net zo'n gang is die naar een andere kloostertuin met
de paterscellen leidt. De gilde houdt haar schatten goed achter
slot; ze is dan ook een historisch instituut, met haar collectie
glasramen, haar kruisbogen, haar hoogwaardige leden en haar schietstand.
Ook zij zal uiteindelijk moeten verhuizen, maar dat gebeurt pas
wanneer ze kan intrekken in een ander historisch gebouw, de gouverneurswoning,
waar ze weer een buur wordt van het Gents Madrigaalkoor. Maar
nu loop ik toch te snel vooruit. Het koorlokaal. We trekken de zware stalen deur open
aan het handvat (als het niet is afgebroken) of aan een touwtje
(anders), of door met je hand onder de deur te pakken (als het
touwtje gebroken is). We stappen de twintig centimeter hoge vloer
op, een mooi vlakke tegelvloer, een van de betere prestaties van
het Sint-Lutgardiskoor, en staan met kloppend hart in de moeder
van alle koorlokalen. Het is er wat kil misschien, de muren zijn
vochtig, maar de grote oliekachel jaagt dat gevoel wel weg. Een
uur of twee voor elke repetitie komt iemand hem aansteken. De
jerrycan waarmee wordt bijgetankt (meestal met diesel van een
tankstation) staat ernaast. Rechtvoor drie brede, en vooral hoge
ramen in een diepe nis. Je kan met een stoel in zo'n nis gaan
zitten - de bassen van de laatste rij doen dat ook regelmatig
als het podium te klein wordt. In een hoek van de mooie rechthoekige
zaal staat een smalle houten trap die van het plafond naar beneden
komt gedraaid. Het atelier van de kunstschilder (een andere, dit
was een artistieke buurt !) in de zaal erboven bereik je op die
manier niet, want het luik is dichtgespijkerd. Na de repetitie dronken we nog iets aan de bar. Die
was ingericht in een kamertje naast de zaal. Dat kamertje was
vroeger nog als een aparte woning ingericht. Op halve hoogte was
een verdieping aangebracht die je via een heel smal kort trapje
bereikte. De bovenverdieping had ramen naar de straatkant en twee
heel aardige nissen die uitkeken op de repetitiezaal. Het zag
er allemaal heel gezellig uit en omdat we elk jaar wel eens een
grondige opruimdag organiseerden was het er even vaak schoon.
De eerste schoonmaak was bijzonder grondig. In september
1968 kon je dartele alten, jonge bassen, frisse sopranen, slanke
tenoren en een piepjonge dirigent met verfborstels op hoge ladders
aantreffen. Alle koorleden zonder tweede zit smeerden grote potten
witte verf leeg, schroefden spots tegen de middeleeuwse eiken
balken (5 m hoog), keken oliekachels na, timmerden een podium,
installeerden een open haard groot genoeg om een koe aan het spit
te braden. Stopcontacten en lichtschakelaars werden in het zilver
geverfd en toen iemand een dikke zilveren druppel op de zwarte
piano morste werd meteen de hele piano in het zilver gestoken,
niets was er nog zwart aan, alles werd zilver - behalve de witte
toetsen natuurlijk.
|